De Orgels

Het Schyven Orgel

Dit romantisch orgel, dat zich bevindt op het doksaal van de kerk werd gebouwd in 1890 door de Belgische orgelbouwer Pierre Schyven & zoon. Het bevat 22 registers, verdeeld over 2 manualen en pedaal (pneumatische transmissie). Het tweeledig buffet in neogotische stijl werd gebouwd door de gebroeders Goyers uit Leuven. Dit instrument, dat bewaard bleef in zijn oorspronkelijke staat, werd onlangs gerestaureerd door de Heer Draps, orgelbouwer (vernieuwing van de pneumatische transmissie en ontstoffing van de orgelpijpen).

Dispositie

Grand-Orgue (I) : Bourdon 16′; Montre 8′; Gambe 8′, Flûte 8′; Bourdon 8′; Prestant 4′; Quinte 3′; Fourniture III-IV; Trompette 8′; Clairon 4′

Pédale : Soubasse 16′; Octave Basse 8′; Bombarde 16′

Récit expressif (II) : Flûte 8′; Salicional 8′; Voix céleste 8′; Doublette 2′; Fourniture III; Trompette harmonique 8′; Basson-Hautbois 8′; Voix humaine 8′

Het Jacques Orgel

Op initiatief van Arnaud Van de Cauter – ontwerper en eigenaar van het orgel – werd het instrument gebouwd door Rudi Jacques – orgelbouwer gevestigd in Maurenne (nabij Hastières-Lavaux, B) – en is in het bijzonder geconcipieerd om er 16de en 17de -eeuwse muziek op te vertolken. Het werd volledig met de hand gebouwd, alleen om het ruwe hout te bewerken kwam er een machine aan te pas.

Voor de vormgeving van het buffet werd inspiratie gezocht bij de orgels van Westerhusen/D (bovenbouw) en Mitwolde/NL (onderbouw). Het geheel is rijkelijk versierd met lijst- en beeldhouwwerk naar 17de -eeuwse trant, benevens inlegwerk in pruimenhout.
De pijpen met gladde afschuiningen vormen een duidelijk en eenvoudig geheel.
Het orgel is middentoon gestemd (met acht toonzuivere grote tertsen), met als grondtoon a’ 470 Hz.

Het drijfwerk werd ontworpen met het oog op de verplaatsbaarheid van het instrument en omvat een korte gebroken octaaf. Het aangehangen pedaal is permanent met het klavier verbonden.
De luchtdruk wordt geleverd door twee wigvormige blaasbalgen die beurtelings worden aangedreven door een elektromotor. Een dergelijke natuurlijke luchttoevoer eist een volkomen beheerste aanslag van de organist die de muziek dan a.h.w. doet ademen. De luchtdruk bedraagt 65 mm waterkolom.
De meeste registers zijn tussen c’ en c’# gescheiden in bas- en bovenstemmen, hetgeen de organist des te meer registratiemogelijkheden biedt.
Tenslotte sluiten Tremblant, Rossignol en Gueulard nauw aan bij een oude traditie die erin bestond het orgel op te smukken met allerhande snufjes en bewegende beeldjes.
De Cimbelstern bestaat uit vijf klokjes die bovenop de centrale stijl werden geplaatst zoals dat dikwijls werd toegepast in Nederland en Noord-Duitsland. Een kleine trompetspeler blaast de enige tongpijp – de Gueulard – aan die het orgel rijk is, en die bijvoorbeeld de tenorstem (de Teneure) in middeleeuwse muziek voor haar rekening kan nemen. De zgn Rossignol werd hier Vogel herdoopt ter ere van professor Harald Vogel (D) die het instrument op 7 juni 1997 in Brussel is komen inspelen.

Dispositie

Principal (bas. & disk.) 8′

Gedackt (bas. & disk.) 8′

Prestant 4′

Roerfluit 4′

Nazard (bas. & disk.) 2′2/3

Octaav 2′

Sexquialtera (bas. & disk.) II

Mixtuur III

Toebehoren : Tremulant, Gueulard, Cimbelstern en Vogel (Nachtegaal)

Stemming : Middentoon

Toonhoogte : a = 470 Hertz

Tessituur : C-D-E-c”’ : 47 toetsen

Aang. Pedaal : C-D-d’ : 25 toetsen

http://placedelachapelle.org